dinsdag 31 maart 2026

Eduard van Hengel (www.eduardvanhengel.nl)

Tot aan zijn overlijden in september 2024 heeft Eduard gewerkt aan deze site, die beschouwd mag worden als het resultaat van een levenslange verbondenheid met de muziek van Bach. Alle inhoudelijke teksten, toelichtingen en commentaren zijn van zijn hand. Na Eduards overlijden dragen, op zijn verzoek, zijn vrouw Ria van Hengel (van wie alle vertalingen zijn) en zijn dochter Mirjam van Hengel inhoudelijke zorg voor het voortbestaan van de site, technisch bijgestaan door Michiel Carpentier.

Kies één van Bachs vocale werken uit de agenda of uit één van de op BWV-nr, titel of bestemming geordende lijsten, of typ een BWV-nummer of tekst (één woord) in de zoekbalk en vind zo al hun gegevens: teksten, vertalingen, Eduards besprekingen, opnames,  partituren etc. Ook is er een zoekfunctie waarmee je stukken op grond van hun – vocale en instrumentale – bezetting kunt vinden. 

Onder ''overig'' vindt u algemenere informatie over Bachs vocale werk, in het bijzonder over de Hohe Messe, een woordenlijst met gehanteerde muziektermen, bronnen die Eduard gebruikte en resultaten van enkele andere projecten zoals over de oude-muziekpionier Hans Brandts Buys, oprichter en eerste dirigent van het Utrechts Studenten Koor en Orkest (USKO) die Eduard inspireerde.

02 maart 2026

Geacht bestuur,

Hartelijk dank voor uw mail, een mooi bericht op Tijd voor tegengas, in enkele alinea’s precies geraakt wat de site is, dank daarvoor.

met vriendelijke groet,
Mirjam van Hengel

maandag 30 maart 2026

BWV 1178 en 1179

Het Bach-Werkeverzeichnis (BWV) is sinds 17 november 2025 twee nieuwe nummers rijker. De directeur van het Bach-Archiv Leipzig, prof. dr. dr. h.c. Peter Wollny, heeft twee tot dusver onbekende orgelwerken definitief aan Johann Sebastian Bach kunnen toeschrijven. Met een live gestreamde feestelijke bijeenkomst, bijgewoond door cultuurstaatsminister Wolfram Weimer en de Leipziger burgemeester Burkhard Jung, vierde de stad Leipzig samen met de internationale Bach-gemeenschap de uitvoering door Ton Koopman van deze twee composities in de Thomaskirche – voor het eerst sinds 320 jaar. Ze zijn inmiddels op You Tube beschikbaar.

De twee nu als vroege werken van Bach geïdentificeerde composities, de Ciacona in d-klein BWV 1178 en de Ciacona in g-klein BWV 1179, zijn al meer dan drie decennia bekend bij Wollny. Hij ontdekte ze in de Koninklijke Bibliotheek van België. Gedurende zijn onderzoeksloopbaan verzamelde hij talrijke aanwijzingen die nu, dankzij de identificatie van de kopiist, tot een sluitend geheel konden worden samengevoegd. Deze identificatie vond plaats binnen het kader van het Forschungsportal BACH, een project van de Saksische Akademie der Wissenschaften zu Leipzig, waarin voor het eerst alle beschikbare archiefbronnen over de gehele muzikale familie Bach digitaal ontsloten en publiek toegankelijk zijn gemaakt.  

Wollny: 'Lang heb ik gezocht naar het ontbrekende puzzelstuk voor de toewijzing van deze composities – nu ontvouwt zich het volledige beeld. We kunnen definitief zeggen dat de afschriften rond 1705 door de Bach-leerling Salomon Günther John zijn vervaardigd. Stilistisch vertonen de werken bovendien de kenmerken die men in die tijd wel in Bachs oeuvre aantreft, maar bij geen enkele andere componist.' 

Het toeschrijven van een werk aan Bach is een moeizaam proces: beide manuscripten zijn niet door Bachs eigen hand geschreven, bovendien ongedateerd en niet ondertekend. Toch kon Wollny de aanvankelijk naamloze schrijver ook in andere bronnen uit Bachs omgeving aantonen – bijvoorbeeld in een ander vroeg werk van Bach, een fuga over een thema van Albinoni. Daarbij kwamen nog andere stukken uit het Midden-Duitse gebied. 

Binnen dit project ontdekte Wollny's medewerker dr. Bernd Koska in een Thürings kerkarchief een sollicitatiebrief uit 1729. Een tot dan toe volkomen onbekende organist, Salomon Günther John, beweerde daarin dat hij in Arnstadt leerling van Bach was geweest. Johns levensloop kon vervolgens goed worden gereconstrueerd: van 1705 tot 1707 kreeg hij les bij Bach in Arnstadt en ook in latere jaren duikt hij in Weimar opnieuw in Bachs omgeving op. Wollny ging op zoek naar documenten en vond uiteindelijk vroege schriftelijke getuigenissen van John, op grond waarvan hij eenduidig als de gezochte kopiist kon worden geïdentificeerd. 

De afschriften zijn rond 1705 ontstaan. Stilistisch bevatten de composities kenmerken die men in die tijd in Bachs werken aantreft, maar bij geen enkele andere componist, zoals de verbinding van variatie en ostinato met een uitgebreide fuga. Daarnaast zijn er technieken die sterk herinneren aan de Lüneburger organist Georg Böhm, Bachs leermeester. Bachs vroege composities zijn tot in zijn Weimarer periode doortrokken van dergelijke reminiscenties aan Böhm. Bovendien zijn er muzikale verwijzingen naar de Chaconne uit Bachs cantate BWV 150

Het Bach-Archiv Leipzig, gevestigd op Bachs belangrijkste werkplek, geldt als internationaal expertisecentrum voor onderzoek naar leven, werk en receptiegeschiedenis van Johann Sebastian Bach en zijn muzikale familie. Dit jaar viert de instelling haar 75-jarig jubileum. Het doel van het instituut is het erfgoed van Bach te bewaren, te onderzoeken en als cultureel goed te ontsluiten. Het Bach-Archiv is lid van de Konferenz Nationaler Kultureinrichtungen en behoort tot de culturele 'lichttorens' van Duitsland. Het Forschungsportal BACH vormt een van de meest ambitieuze digitaliseringsprojecten van de Saksische Akademie der Wissenschaften zu Leipzig en is in het Bach-Archiv verankerd. 

Toen de 18-jarige Johann Sebastian Bach in 1703 in het Thüringse Arnstadt zijn eerste betrekking als organist aanvaardde, begon een productieve periode. Hier bereikte hij met zijn composities een professioneel niveau; zijn zoon Carl Philipp Emanuel zou later spreken van de 'eerste vruchten van zijn vlijt'. In zijn Arnstädter werken grijpt Bach terug op de impulsen uit zijn leertijd bij zijn oudste broer in Ohrdruf (1695–1700) en zijn opleiding bij Georg Böhm in Lüneburg (1700–1702), en begint hij te experimenteren met de versmelting van midden- en noordduitse tradities. 

De beide Ciacona's
De Ciacona in d-klein en Ciacona in g-klein zijn variatievormen gebaseerd op een ostinate basfiguur, een procédé dat in de vroege achttiende eeuw populair was en dat Bach later tot grote hoogte zou voeren in werken als de Passacaglia in c-klein BWV 582. Beide Ciacona's tonen een vroege beheersing van dit principe: een herhalende baslijn vormt het fundament voor een reeks variaties die zich ontvouwen in contrapuntische en harmonische rijkdom. 

De ontdekking van deze twee Ciacona's verrijkt ons begrip van Bachs vroege orgelstijl. Ze tonen hoe hij rond 1705 experimenteerde met variatievormen en harmonische expansie. In vergelijking met tijdgenoten zoals Buxtehude en Pachelbel zijn de werken opvallend intens en persoonlijk gekleurd. Ze vormen een schakel tussen de Noord-Duitse orgeltraditie en Bachs latere monumentale orgelwerken. 

Voor uitvoerders liggen de uitdagingen in de balans tussen de strikte ostinate structuur en expressieve vrijheid. De variaties vragen om een genuanceerde registratiekeuze en een retorische interpretatie die de dramatische boog van de werken zichtbaar maakt. Voor onderzoekers en luisteraars openen de Ciacona's een nieuw venster op Bachs vroege stijl en zijn zoektocht naar expressieve variatievormen. 

Conclusie
De toewijzing van de beide Ciacona's aan Johann Sebastian Bach is niet alleen een musicologische sensatie, maar ook een belangrijke verrijking van het orgelrepertoire. De werken bieden een unieke blik op Bachs vroege stijl en zijn zoektocht naar expressieve variatievormen. Dankzij de inspanningen van het Bach-Archiv Leipzig en het Forschungsportal BACH zijn deze composities nu toegankelijk voor zowel onderzoekers als uitvoerders, en markeren zij een nieuw hoofdstuk in de receptiegeschiedenis van de componist. 

Beide orgelwerken zijn op 17 november uitgegeven door het eveneens in Leipzig gevestigde Breitkopf & Härtel.




 

 

 

 

 

 

donderdag 19 maart 2026

9 Grote Dichters

Op 1 met stip:
J.C. Bloem
Denkend aan de dood kan ik niet slapen,
En niet slapend denk ik aan de dood,
En het leven vliet gelijk het vlood,
En elk zijn is tot niet-zijn geschapen. 


Op 2:
M. Vasalis
Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.


Op 3:
Jan van Nijlen
De mens is eenzaam tot en met zijn dood.
Nooit is één liefde, nooit één vriendschap klaar,
En, zelfs geboren uit dezelfde schoot,
Zijn wij nog vreemden voor elkaar.


Op 4:
Geerten Gossaert
Eén ding heb ik begeerd; één ding heb ik ontvangen:
Dat, zo de dood mijn leden zou omvaên,
Ik voor uw aangezicht, o Bron van mijn Verlangen,
Niet ledig zoude staan!


Op 5:
Gerrit Achterberg
Het beste van voor jaren dringt vanavond tot mij door.
Al je gewone vragen vinden weer gehoor.
Regent het. Ja het regent. Goede nacht.
Laten we nu gaan slapen, zeg je zacht.
Wij luisteren en liggen. Wind beweegt het raam.
Blijf zo maar liggen, zeg ik, en ik noem je naam.
Alles wat antwoord is gaat van mij uit.
Je wordt vervuld van de oneindigheid.


Op 6:
Adriaan Roland Holst
Als hij gaat klinken in het morgenlicht
staat de klok stil, de tijd verzaakt zijn plicht.
Ik poets mijn schoenen of ik kijk naar buiten,
en leef weer eerder dan het eerst gedicht.


Op 7:
Herman de Coninck
O.a. dat jij in de laatste strofe van dit
gedicht staat, in nog enkel een broekje
zo dun als het ogenblik voor je het uittrekt.


Op 8:
Jan Arends
Er komen weer bloemen
van lente
en angst voor de winter. 


Op 9:
Pieter Cornelis Boutens
Van trouwbevochte nimmermeer te delen
Geluk tot delen altijd weer gereed,
Dat hier voorbijgaat langs de duistre velen
Als onuitspreeklijk godlijk leed.